Over Nachtpassagier van Maurice Pons

In Zen en de kunst van het motoronderhoud worden de voordelen van het motorrijden afgezet tegen de nadelen van het autorijden. ‘Als je tochten maakt op een motorfiets’, schrijft Robert M. Pirsig, ‘zie je de dingen totaal anders dan op welke manier van reizen ook. In een auto zit je altijd in een besloten ruimte en alles trekt stomvervelend aan je voorbij in een omlijsting.’
Misschien moet de oorzaak in mijn autoloze jeugd worden gezocht (fietstochten en treinvakanties, dr. Freud!), wat mij betreft gaat er weinig boven een lange autorit. Op een motor is de mens gereduceerd tot zijn voertuig; de besloten ruimte van de auto genereert, zeker in gezelschap, een uniek soort intimiteit. Discussies, overdenkingen, liefdesverklaringen, ontboezemingen – niets is ondenkbaar zo lang de motor ronkt- en gods landerijen links en rechts voorbijschieten. Enig nadeel: als de sfeer plotseling omslaat, is er geen weg meer terug.

Maurice Pons Nachtpassagier opent met een lofzang op zo’n autorit. De jonge schrijver Georges rijdt bij het vallen van de avond van Parijs naar Champagnole waar een van zijn korte verhalen wordt verfilmd. Onderweg pikt hij een onbekende man op, een kennis van een vriendin die in de buurt van Champagnole moet zijn. En hoewel het gesprek niet wil vlotten – de bijrijder zegt vrijwel niets en is meer in de ban van het linnen tasje dat hij krampachtig vasthoudt dan van Georges’ exceptionele rijkunst – is de avond vol belofte. De ondergaande zon zet snelweg en landschap in een toverachtig licht, auto én chauffeur zijn in opperbeste conditie. Zelfs als een specifiek kruispunt een verloren liefde in herinnering brengt, heeft die herinnering iets vrolijks, iets lichtvoetigs:
“Hoeveel avonden ben ik daar niet met Francoise de voorjaarslucht op gaan snuiven (…)! Terwijl we over het plein rondreden drukte ze zich tegen me aan, kuste me in mijn nek en fluisterde: ‘Ah, ik ben dol op je auto …” Enfin, dergelijk optimisme kan niet blijven duren.

Nachtpassagier verscheen oorspronkelijk in 1960. De Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog duurde voort: verwoestte talloze Algerijnse levens, verdeelde Frankrijk tot op het bot. De Franse intellectuelen die zich openlijk tegen de oorlog keerden en opriepen tot desertie of dienstweigering, werden gearresteerd en weggezet als landverraders. Hun werk werd geboycot of gecensureerd. Maurice Pons was een van hen. Overigens was het woord oorlog taboe, Franse kolonialisten hielden het bij voorkeur op een ‘pacificatie’.
Georges lijkt zich daar allemaal nauwelijks van bewust. Hij associeert zijn vaderland met de grote schrijvers en de romantische natuur. Politiek interesseert hem niet. Het is zelfs zeer de vraag of hij doorheeft dat zijn passagier geen Fransman is; een gevalletje kleurenblindheid dat even voor hem lijkt te pleiten maar uiteindelijk genadeloos wordt doorgeprikt. Ook de wegkijkers en de flierefluiters worden vroeg of laat geconfronteerd met de realiteit, dat wordt pijnlijk duidelijk als Georges en zijn bijrijder een drankstop maken.
“De jonge serveerster nam alle tijd en kwam eindelijk naar onze tafel. Ik bestelde een koffie en een glas rum. ‘Voor mij een koffie met melk,’ vroeg mijn reisgenoot.
‘D’r is geen melk,’ zei de serveerster kortaf zonder hem aan te kijken. (…)
De koffie was lauw, de rum slecht. Ik wilde snel weg van die plek waar ik me op een of andere manier verdacht voelde; ik wilde snel terug naar de opwekkende, aangename sfeer van de snelweg.”
Maar de snelweg is niet zaligmakend en problemen worden niet opgelost door het gaspedaal ietsje dieper in te drukken.

Het is de buitenwereld die Georges nachtpassagier tot Algerijn reduceert: een verschoppeling, een banneling, de vijand van het volk. Het is Georges die halsstarrig vasthoudt aan zijn verbeten optimisme. Kom op, zo erg kan het toch niet zijn? Maar zo erg is het wél. Terwijl de rit voortduurt, de nacht steeds zwarter kleurt en die geweldige natuur iets onheilspellends krijgt, begint de oorlog zich op te dringen. Met horten en stoten komt de onvermijdelijke dialoog op gang. De inzet van Georges: wederzijds begrip. De inzet van de Algerijn: de gruwelijke realiteit onder ogen zien.
We kunnen elkaar niet begrijpen, zegt laatstgenoemde op zeker moment tegen Georges. Tsja – sta je dan. Met je gladde praatjes en je suikerzoete wereldbeeld. Je voorbeeldige bolide en je boekenkastje vol genieën. En dan hebben we het nog niets eens over dat linnen tasje gehad …

Nachtpassagier is een wonderlijke novelle. Licht en poëtisch van toon, zwaar en beladen waar het onderwerp en thematiek betreft. Een nachtrit die blijft resoneren. Ook op de snelwegen en landweggetjes van de eenentwintigste eeuw.

Levi Olthof