In een grijs gedacht verleden volgde ik een cursus korte verhalen schrijven. De docent van dienst, een morsige eenzaat met een vals gebit, wond er geen doekjes om. Had je het over korte verhalen, dan had je het over Tsjechov. En wilde je iets leren, dan was het zaak om deze Russische halfgod naar de kroon te stijgen. Lastig natuurlijk, om niet te zeggen godsonmogelijk maar goed, dat was ons probleem. Op de stencils die hij ronddeelde, had hij plot en structuur van drie Tsjechov-verhalen samengevat. Wij, de cursisten, moesten op basis van die gegevens een nieuw verhaal schrijven. Maar natuurlijk meneer, kat in ’t bakkie … Tijdens het lezen van Opnieuw Olive, de tweede ‘roman in verhalen’ rond de gepensioneerde wiskundelerares Olive Kitteridge, moest ik geregeld aan die cursus denken. Net als Tsjechov schrijft Elizabeth Strout over ‘gewone mensen’ in een taal die precies maar niet opzienbarend is; net als Tsjechov doet Strout nooit moeilijk of geheimzinnig: dit is de situatie, dit zijn de problemen – lees maar, er staat wat er staat. Hoewel de verschillen tussen de verhalen van Tsjechov en de verhalen van Strout waarschijnlijk talrijker zijn dan de overeenkomsten, weet ik zeker dat de opdracht ‘schrijf je eigen Olive Kitteridge verhaal’ dezelfde drakerige misbaksels op zou leveren als de halfbakken Tsjechov-variaties die lang geleden mijn prullenbak verstopten.

Neem het verhaal Licht. Cindy Coomps – getrouwd, twee studerende zoons – bereid zich voor op haar laatste chemokuur. In de supermarkt loopt ze Olive Kitteridge tegen het lijf, haar oude wiskundelerares waar ze ‘niet bepaald dol op was geweest.’ Ze maken een praatje; Olive helpt Cindy met de boodschappen; op de parkeerplaats nemen ze afscheid. De volgende dag ligt Cindy in bed als Olive onverwacht voor de deur staat. Er volgen een aantal van die bezoekjes en er ontstaat een vertrouwensband. Het verhaal eindigt zo: ‘Olive Kitteridge zei: “Mijn god, ik hou toch zo van het licht in februari.’ Ze schudde langzaam haar hoofd. “Mijn god,” herhaalde ze met ontzag in haar stem. “Moet je dat februarilicht toch een zien.” Zie hier: het basisrecept voor edelkitsch. Een doodzieke moeder, een luisterend oor, ontluikende vriendschap in het aangezicht van de dood. En dan hebben we het nog niet eens over het februarilicht gehad. Candlelight voor gevorderden dus, dat kan niet missen … Tenzij je Elizabeth Strout heet en er een diep doorvoelt verhaal over doodangst en spijt van maakt. Licht van toon en nergens sentimenteel. Daar zorgt Olive Kitteridge wel voor.

Ook in de herfst van haar leven is Olive nog steeds geen sentimentele vrouw. In tegendeel. Narrig, onbehouwen, bot, humeurig, jaloers en soms ronduit gemeen. Een vrouw die zich (in het eerste deel) op haar schoondochter wreekt door een BH en een schoen te ontvreemden. Een daad waar je als lezer best begrip voor op kunt brengen – die schoondochter is een kreng – maar Olive koopt niets voor begrip. Ruzies en misverstanden worden zelden uitgepraat, Olive heeft zo haar eigen methoden om de lucht te klaren. Nadat ze BH en schoen in een prullenbak heeft gegooid, concludeert ze:  ‘Welbeschouwd is er geen reden om (…) niet af en toe een ditje of een datje te verdonkeremanen – al is het maar om de onzekerheid te voeden. Om een lichte deining te veroorzaken. Want Christopher (haar zoon, L.O.) hoeft niet te leven met een vrouw die denkt dat ze alles weet. Niemand weet alles, niemand mag dat van zichzelf denken.’
En toch is Olive (opnieuw) geen kenau, geen boze heks. Daar is te onhandig en te gevoelig voor. Tegenover haar tirades en woede-uitbarstingen staan momenten waarop ze de pijn van de ander haarfijn aanvoelt en te hulp schiet. Als enige. Bovendien is ze (onbedoeld) erg grappig en bij momenten zo verscheurd door spijt en verdriet dat je haar maar wat graag in je armen zou willen sluiten. (Als zou ze dat nooit toe laten, geen denken aan).
Na de dood van Henry, de zachtaardige apotheker, is Olive hertrouwt met Jack, Harvardprofessor in ruste. Dat is even wennen, ook voor Olive. Jack is overtuigd Republikein, iets wat Olive onbegrijpelijk vind; Jack heeft grote moeite met de homoseksualiteit van zijn dochter, iets wat Olive onverteerbaar vind. En toch doet de relatie volkomen vanzelfsprekend aan. Naast de moeizame verhouding tot het nageslacht, delen ze een bepaald soort ontreddering over hun leeftijd. De rekening is opgemaakt, het is te laat om te veranderen of dingen recht te zetten. Het enige wat helpt: alles onder ogen zien. Samen. Door die gesprekken krijgt het huwelijk met Jack een noodzaak die de angst om alleen te eindigen ontstijgt. Dit is geen romantische liefde maar gedeelde smart die troost en vertedert. Ook Jack sluit je met een bladzijde of wat in je hart. 

Net als in het eerste deel speelt Olive in sommige verhalen slechts een bijrol. Die verhalen (die niet onder doen voor de Olive-verhalen) draaien om de andere inwoners van Crosby, Maine, een kleine gemeenschap waar veel verzwegen en nog meer geleden wordt. Wat heet: ziekte, dood, (zelf)moord, misbruik, depressie, verslaving – Strout schrikt nergens voor terug maar omdat de meeste rampspoed tussen de hoofdstukken plaats heeft, dus buiten het zicht van de lezer, worden de verhalen nooit topzwaar. Het gaat Strout niet om het drama maar om de weerslag van het drama – opstaan, wankelen, verder leven. Ook fijn: haar personages zijn ondanks de rampspoed geen slachtoffers. Er wordt geworsteld en geklungeld maar nauwelijks gejammerd. Ons lot is barbaars en het leven een beproeving maar het februarilicht zal er niet minder betoverend om zijn.

In het laatste verhaal staat Olive wel centraal. Ze zit in een verzorgingstehuis en draagt incontinentieluiers. Van berusting is nog altijd geen sprake en het lukt haar niet om aansluiting te vinden bij de andere bewoners. Dat Strout nog een laatste, hechte vriendschap voor Olive in petto heeft, voelt als een daad van rechtvaardigheid.

Levi Olthof

Elizabeth Strout, Olive Kitteridge en Opnieuw Olive
Vertaling: Marijke Versluys
atlas contact

 

Comments are closed.